|
Nationaal spelreglement ZNGF
Inhoudsopgave:
|
Art. 01
|
Algemene bepalingen.
|
|
Art. 02
|
Aanvangspositie.
|
|
Art. 03
|
Scheidsrechters.
|
|
Art. 04
|
Afbreken van een partij.
|
|
Art. 05
|
Kleur en doel.
|
|
Art. 06
|
Onbehoorlijk gedrag en beïnvloeding.
|
|
Art. 07
|
Aanvang van een partij.
|
|
Art. 08
|
Beginstoot.
|
|
Art. 09
|
Vervolgen van een partij.
|
|
Art. 10
|
Scoren.
|
|
Art. 11
|
Doelpoging met een bal dicht bij het doel.
|
|
Art. 12
|
Over stoppen of ballen spelen.
|
|
Art. 13
|
Bal uit het biljart op band of stop.
|
|
Art. 14
|
Een bal die klemt.
|
|
Art. 15
|
Voet op de grond tijdens het spelen.
|
|
Art. 16
|
Roken boven het biljart.
|
|
Art. 17
|
Spelen op eigen bal.
|
|
Art. 18
|
Mikken en/of spelen met de bal van de tegenstander.
|
|
Art. 19
|
Bal van richting veranderen/tegenhouden.
|
|
Art. 20
|
Touché.
|
|
Art. 21
|
Doorstoot.
|
|
Art. 22
|
Definitie van een beurt c.q. stoot.
|
|
Art. 23
|
Bal(len) in de verdedigingsdriehoek.
|
|
Art. 24
|
Kaderspel.
|
|
Art. 25
|
Fouten door derden.
|
|
Art. 26
|
Vliegeren.
|
|
Art. 27
|
Koppelwedstrijden.
|
|
Art. 28
|
Meten.
|
|
Art. 29
|
Strafpunten.
|
|
Figuren
|
1. Schema voor het aanbrengen van de kaderlijnen
|
|
|
2. Kaders en driehoeken
|
|
|
3. Middelste opstootstip is top grote driehoek
|
|
|
4. Strafpunten
|
|
Wedstrijdreglement Z.N.G.F. 2010
Art. 1 Algemene bepalingen.
A. Golfbiljart wordt gespeeld door twee spelers (van elk team één) die om de beurt spelen. Een speler die een geldig doel maakt, blijft aan de beurt. Een beurt kan dus uit meerdere stoten bestaan.
Er dient gespeeld te worden met de keuspits (pomerans). Bij iedere andere speelwijze wordt de bal op het strafpunt geplaatst en die van de tegenstander in het doel gestoken.
B. In de competitie die de Z.N.G.F. organiseert wordt er gespeeld met teams bestaande uit 4 spelers.
C. De spelers van de teams, minimaal het aantal waarmee wordt gespeeld, worden voor aanvang van de competitie, voor een door de wedstrijdleider bekendgemaakte datum vastgesteld.
D. De spelers van beide teams spelen volgens de nummering zoals deze is aangegeven op het wedstrijdformulier; nummer 1 van het ene team tegen nummer 1 van het andere team, enz.
Er wordt gespeeld volgens het 2 partijen systeem. Elke gewonnen partij levert 1 punt op, voor zowel de speler als het team.
E. Het is toegestaan dat de reservespeler die op de wedstrijdkaart is ingevuld invalt wanneer een der opgestelde spelers ontbreekt. Ook mag de reservespeler invallen tijdens een wedstrijd wanneer een der spelers onverwacht wordt weggeroepen of ziek wordt. Gebeurt dit tijdens een partij dan mag de tegenstander beslissen of de lopende partij verder wordt gespeeld of in zijn geheel wordt overgespeeld. De partij(en) van de ontbrekende speler(s) worden verloren verklaard.
F. Een lid dat in een bepaalde speelweek een speler met een hogere letterwaarde dan hij zelf heeft vervangt, mag in die zelfde week ook voor zijn eigen team spelen. Uiteraard kan dit alleen voor zijn eigen vereniging en niet vaker als twee keer in een week.
G. Speelt een speler meer dan 3 wedstrijden in een team dan wordt hij/zij beschouwd als vaste speler van dat team en kan dan, net als de opgeven spelers niet meer in een lager team spelen. Tenzij deze speler een speler met een hogere letterwaarde heeft vervangen.
Dit mag echter niet wanneer men in een lager team wil spelen. Wedstrijden voor de Beker Competitie tellen hierbij niet mee.
H. De partijen van een ongerechtigde speler worden als niet gespeeld beschouwd. De eventuele punten worden omgezet in verlies. Een ongerechtigde speler is o.a. een speler die in een lager team speelt dan waar hij/zij volgens opgave of Art. 1 sub. F van dit reglement, behoort te spelen. Tenzij als voorzien in Art. 1 sub. F en G mogen spelers geen 2 wedstrijden voor verschillende teams in 1 wedstrijdweek spelen.
I. Komt een team niet opdagen dan verliest het met de maximale score (8-0) en wordt beboet met een bedrag van € 45,00. Komen beide teams niet opdagen verliezen beide met de maximale score (8-0) en worden beiden beboet met € 45,00.
J. Klachten, voorheen genoemd protesten, zullen worden behandeld onder de voorwaarde zoals genoemd in het Tuchtrechtreglement.
Een verplaatste wedstrijd dient gespeeld te worden voor de volgende wedstrijdronde.
|
|
|
|
Art.2 Aanvangspositie.
De scheidsrechter en de speler zijn verantwoordelijk voor de aanvangspositie van de ballen.
Rode ballen bij het witte doel, witte ballen bij het rode doel.
Wanneer een vergissing betreffende de aanvangspositie na de opstoot wordt geconstateerd dan wordt de partij gewoon vervolgd.
|
|
|
|
Art. 3 Scheidsrechters.
A. Van een scheidsrechter wordt verwacht dat deze goed op de hoogte is van de reglementen en deze steeds correct weet toe te passen.
B. Een scheidsrechter blijft steeds rechtopstaand in de nabijheid van het biljart en zoveel mogelijk uit het gezichtsveld van de speler. Als de speler gaat stoten houdt de scheidsrechter zich stil en verbiedt de doorgang aan andere personen. Hij verplaatst zich met de speler.
C. Hij zal noch tot de speler, noch tot het publiek het woord richten tenzij voor gevallen voorzien in dit reglement. Indien noodzakelijk verzoekt hij het publiek om stilte.
D. De beslissingen van de scheidsrechter dienen tijdens het spel steeds uitgevoerd te worden.
Neemt de scheidsrechter een beslissing die tegen de reglementen handelt dan kan de leider namens het team protest aantekenen op het wedstrijdformulier. (Zie reglement protestcommissie).
Voordat de scheidsrechter een besluit ten uitvoer brengt, deelt hij dit besluit mede aan de speler.
E. Een scheidsrechter die rookt boven het biljart of door woord of gebaar een speler bevoordeeld, kan bij een klacht hierover voor onbepaalde tijd geschorst worden. Onder bevoordelen wordt o.a. verstaan: het geven van aanwijzingen, aankondigen van kaderspel, enz.
F. De partij is beëindigd als een der spelers de laatste bal heeft gescoord en zich correct van het biljart heeft verwijderd. De scheidsrechter steekt de overgebleven bal(len) in het biljart, zodat men hiermee niet meer kan oefenen.
|
|
|
|
Art. 4 Afbreken van een partij.
Indien een partij op een dood punt belandt (er komt geen verandering meer in de spelsituatie) geeft de scheidsrechter beide spelers nog 3 beurten. Is de spelsituatie na deze drie beurten nog ongewijzigd, dan zal de partij worden overgespeeld.
Van dood spel is alleen sprake als de spelsituatie zowel voor als na de stoot hetzelfde is.
De scheidsrechter geeft de laatste drie beurten aan, beginnende bij de speler met de witte ballen.
Bovenstaande is echter nooit van toepassing tijdens kaderspel.
|
|
|
|
Art. 5 Kleur en doel.
A. Bij wedstrijden van team tegen team, beginnen de bezoekers hun eerste partij met rood en de tweede met wit.
B. Bij individuele kampioenschappen en toernooien speelt de eerst vermelde speler de eerste partij met wit en de tweede met rood. Voor een eventuele derde partij spelen beide spelers een bal recht vooruit in de lengte van het biljart. De speler wiens bal het dichtst bij de band vanwaar gespeeld werd terugkomt, mag kiezen met welke kleur hij wil spelen.
C. Men speelt met de rode ballen naar het rode doel en met witte ballen naar het witte doel.
In beide gevallen noemen we dit verder in de tekst het eigen doel en het doel van de tegenstander.
|
|
|
|
Art. 6 Onbehoorlijk gedrag en beïnvloeding.
A. ONBEHOORLIJK GEDRAG
Een speler die zich onbehoorlijk gedraagt: Verliest de partij. Op basis van het tuchtrecht kan een klacht worden ingediend.
B. BEÏNVLOEDING.
Een speler die de tegenstander beïnvloedt wordt:
1. Eerste maal gewaarschuwd.
2. Tweede maal wordt de partij verloren verklaard.
C. Na het stilvallen van de ballen heeft de speler 30 seconden de tijd om de volgende stoot te doen.
De scheidsrechter kondigt de laatste 15 seconden aan. Na deze15 seconden volgt een waarschuwing en krijgt men nogmaals 15 seconden. Heeft de speler na deze 15 seconden nog niet gespeeld dan wordt hij/zij bestraft zoals hierna vermeld.
1. Eerste maal met een door de tegenstander aan te wijzen strafbal en verliest men een beurt.
2. Tweede maal wordt de partij verloren verklaard.
D. SUPPORTEREN DOOR TEAMGENOTEN.
1. Supporteren voor de stoot is verboden, bij overtreding:
a. Eerste maal waarschuwen.
b. Tweede maal beurtverlies voor betreffende speler.
2. Supporteren na de stoot is alleen op een normale rustige manier toegestaan.
Bij overtreding:
a. Eerste maal waarschuwen.
b. Tweede maal het terugleggen van de verplaatste ballen, waar na de tegenstander mag vervolgen.
3. Supporteren door buitenstaanders valt onder de verantwoording van de teamleider(s) en lokaalhouder.
|
|
|
|
Art. 7 Aanvang van een partij
Een partij begint bij de oproep door de scheidsrechter. De beide spelers dienen onmiddellijk gehoor te geven aan deze oproep door plaats te nemen op de voorziene plaatsen.
Bij overtreding wordt men bestraft:
1. De eerste maal gewaarschuwd.
2. De tweede maal verloren verklaard.
|
|
|
|
Art. 8 Beginstoot.
De scheidsrechter waarschuwt de spelers dat de partij kan beginnen, door te zeggen: "spelers klaar" en langzaam tot drie te tellen. Hierna spelen de spelers met de bal op de opstootstip voor het doel gelijktijdig naar de linkerband. Deze bal moet de breedte-as van het biljart overschrijden. De bal van de ene speler moet vertrokken zijn voordat de bal van de andere speler de band heeft geraakt. Voldoet een der spelers bij de opstoot niet aan deze regels, dan moet de scheidsrechter de ballen op hun plaats terug leggen en begint men opnieuw.
Bij de tweede overtreding van dezelfde speler zal de scheidsrechter de bal van de overtreder op het strafpunt leggen, waarna de tegenstander mag vervolgen. Een speler die bij de opstoot de bal van de tegenstander tegenhoudt of van richting doet veranderen verliest zijn/haar beurt, zijn/haar speelbal wordt op het strafpunt gelegd en de bal van de tegenstander wordt in het doel gestoken, waarna deze laatste mag vervolgen. Alle andere door deze stoot verplaatste ballen worden teruggelegd.
|
|
|
|
Art. 9 Vervolgen van de partij.
A. Na de opstoot mag de speler vervolgen wiens bal de kleinste afstand heeft tot het eigen doel.
De speler mag spelen met een bal naar eigen keuze. Komt de opstootbal echter in de kleine driehoek terecht dan dient men met deze bal verder te spelen tot deze de kleine driehoek heeft verlaten. Speelt men met een andere bal dan wordt deze andere bal op het strafpunt gelegd, alle eventueel verplaatste ballen worden op hun plaats teruggelegd en de tegenstander vervolgt de partij.
B. Scoren beide spelers de opstootbal, dan vervolgen beiden met een volgende bal naar eigen keuze en spelinzicht volgens Art. 8 en wordt vervolgd volgens Art. 9 sub A.
C. Indien een speler een stoot uitvoert alvorens de bal(len) uit de voorgaande stoot stilliggen, verliest hij/zij de beurt en worden alle door deze stoot verplaatste ballen teruggelegd.
De speelbal wordt op het strafpunt gelegd. De tegenstander vervolgt.
D. De scheidsrechter geeft duidelijk aan of de opstootbal zacht gespeeld dient te worden, dan wel hard mag.
E. Indien een der spelers het wenselijk acht zal de ligging van de ballen worden opgemeten door een teamgenoot van de verzoeker. Dit met gebruik van de meetapparatuur en onder toezicht van de scheidsrechter. Indien een te meten bal wordt aangeraakt (tenzij de nieuwe meetapparatuur wordt gebruikt), wordt er beslist in het nadeel van de aanvrager.
|
|
|
|
Art. 10 Scoren.
A. BAL OP DE RAND VAN EEN DOEL.
1. Wanneer een bal op de rand van een doel terechtkomt en in het doel verdwijnt vóórdat hij stil ligt wordt dit als een geldige score beschouwd.
2. In alle andere gevallen, behalve wanneer de bal aangespeeld wordt, is het een ongeldige score. De bal wordt door de scheidsrechter afgehaald en op de plaats terug gelegd.
B. GELDIGE EN ONGELDIGE SCORE.
1. Een normaal bespeelde bal van de speler die in het doel verdwijnt, is een geldige score.
2. Een normaal bespeelde bal van de tegenstander die in het eigen doel of in het doel van de tegenstander verdwijnt, is een geldige score.
3. Een bal van de speler die in het doel van de tegenstander verdwijnt, is een ongeldige score.
De gedoelde bal of ballen worden afgehaald en op het strafpunt gelegd.
a) De speler verliest zijn/haar beurt.
b) De speelbal wordt afgehaald en op het strafpunt gelegd.
4. Scoort men in een stoot zowel een bal van de tegenstander als een eigen bal in zijn eigen doel, dan mag men vervolgen met de volgende stoot. Hadden beide spelers nog maar een bal, dan wint die speler wiens laatste bal het eerste in het doel is verdwenen.
5. Scoort men in een stoot een eigen bal in het doel van de tegenstander en een andere eigen bal in het eigen doel, dan wordt de bal die in het doel van de tegenstander is gedoeld afgehaald en op het strafpunt gelegd waarna de speler mag vervolgen met de volgende stoot.
6. Een bal in de nabijheid van de doppen op de lengte-as van het biljart mag met een harde, snelle doch reglementaire stoot gedoeld worden.
Ligt de speelbal vast (m.u.v. de voorste helft van de dop, het dichtst bij het doel) mag geen rechtstreekse doelpoging ondernomen worden, m.u.v. een massé.
|
|
|
|
Art. 11 Doelpoging met een bal dicht bij het doel.
A. Een doelpoging met een harde en snelle doch reglementaire stoot toegestaan, ook als de bal in de kleine driehoek ligt en de doeldop raakt.
B. Een harde en snelle stoot is niet toegestaan met een bal dichter bij het doel dan de stippellijn en waarmee rechtstreeks een doelpoging wordt gedaan. Deze bal moet men zacht naar het doel spelen of pikeren/masseren. De stootvorm waarbij met geheven keu de speelbal gewoon voorwaarts geduwd wordt is een doorstoot. In het geval de speelbal geen bocht beschrijft (massé) of niet voorwaarts gespeeld en dan teruggehaald wordt (piqué), is een harde en snelle stoot verboden.
C. Een bal op de lijn van de kleine driehoek of op de stippellijn wordt behandeld als onder Art. 11 sub A.
D. Indien een speler niet voldoet aan een van deze punten, zal:
1. De speelbal van de overtreder op het strafpunt worden gelegd.
2. Alle verplaatste ballen worden teruggelegd.
3. De tegenstander mag vervolgen.
|
|
|
|
Art. 12 Over stoppen of ballen spelen.
Indien een speler rechtstreeks over stop(pen) of bal(len) speelt, worden alle door deze stoot verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd. De speelbal wordt op het strafpunt gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
Onrechtstreeks over stop(pen) of bal(len) spelen wordt niet bestraft.
|
|
|
|
Art. 13 Bal uit het biljart, op band of stop.
A. Wanneer men een eigen bal uit het biljart speelt, wordt deze op het strafpunt gelegd.
Alle andere ballen blijven liggen en de tegenstander mag vervolgen.
B. Wanneer men een bal van de tegenstander uit het biljart speelt, wordt deze door de scheidsrechter in het doel gestoken. Alle ballen blijven liggen, waarna de tegenstander mag vervolgen. Scoort men in deze beurt een geldig doel, dan mag men zelf vervolgen.
Wanneer dit bij een balverhouding van 1 tegen 1 gebeurt, dan is de speler die gestoten heeft verloren.
C. Een bal die op een stop, houten band of doelkap blijft liggen, wordt beschouwd als zijnde uit het biljart. Er dient gehandeld te worden als onder Art. 13 sub A of B.
D. Een bal die op een stop, houten band of doelkap terecht komt en daarna weer in het speelveld terugloopt wordt niet bestraft, maar als een reglementaire stoot behandeld.
|
|
|
|
Art. 14 Een bal die klemt.
A. Een bal die tussen de doeldoppen geklemd blijft, wordt als gescoord geteld. De scheidsrechter steekt de bal in het doel.
B. Een bal die klemt tussen twee stoppen van het middenveld wordt door de scheidsrechter losgemaakt in de richting vanwaar hij is gespeeld.
Dit geldt ook voor een bal die tussen korte band en doeldop klem gespeeld wordt.
|
|
|
|
Art. 15 Voet op de grond tijdens het spelen.
Bij het uitvoeren van een stoot moet minstens 1 voet de grond raken. Bij overtreding worden alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
Gebeurt dit tijdens het kaderspel, dan wordt de speelbal op het strafpunt gelegd.
|
|
|
|
Art. 16 Roken boven het biljart.
Roken tijdens het uitvoeren van een stoot is ten strengste verboden. Geeft een speler geen gehoor aan de eerste waarschuwing van de scheidsrechter, dan verklaart deze de tegenstander gewonnen voor deze partij.
|
|
|
|
Art. 17 Spelen op eigen bal.
A. Indien men rechtstreeks op een eigen bal speelt, is het volgende van toepassing:
1. Verliest men de beurt.
2. De speelbal wordt op het strafpunt gelegd.
3. Alle verplaatste ballen worden teruggelegd.
B. Wanneer de speelbal vast tegen een stop of band ligt, mag men niet rechtstreeks via deze stop of band op een eigen bal spelen. Dit wordt bestraft als onder Art. 17 sub A.
|
|
|
|
Art. 18 Mikken en/of spelen met de bal van de tegenstander.
A. Mikken op de bal van de tegenstander is niet toegestaan. Onder mikken wordt verstaan: zich achter de bal van de tegenstander opstellen met de keu in een stand om te spelen.
Bij overtreding verliest men de beurt. De scheidsrechter dient, indien mogelijk, het spelen met deze bal te beletten.
Bovenstaand is niet van toepassing als twee ballen dicht bij elkaar liggen en men moet over de bal van de tegenstander heen spelen.
B. Indien men met de bal van de tegenstander speelt, is het volgende van toepassing:
1. Verliest men de beurt.
2. Alle verplaatste ballen worden teruggelegd.
C. Bovenstaande gebeurt ook tijdens het kaderspel. Door het terugleggen van de bal(len) is de speler niet van kader veranderd waarna de scheidsrechter een bal van de overtreder die door de tegenstander is aangewezen, op het strafpunt legt. De tegenstander vervolgt de partij.
D. Indien de laatste bal in de aanvalsdriehoek ligt en men mikt of speelt met de bal van de tegenstander of speelt niet binnen de gestelde tijd, is het volgende van toepassing:
1. Verliest men de beurt.
2. Worden alle verplaatste ballen teruggelegd.
3. Wordt de bal op het strafpunt gelegd.
|
|
|
|
Art. 19 Bal van richting veranderen/tegenhouden.
A. Wanneer een speler, na te hebben gespeeld, een der eigen ballen tegenhoudt of van richting doet veranderen, dan wordt deze bal op het strafpunt gelegd. Alle door deze stoot verplaatste ballen worden op hun plaats teruggelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
B. Indien het een bal van de tegenstander betreft, wordt de speelbal van de overtreder op het strafpunt gelegd.
Alle door deze stoot verplaatste ballen worden op hun plaats teruggelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
|
|
|
|
Art. 20 Touché.
A. Indien een speler één of meerdere ballen van zichzelf of van de tegenstander aanraakt, hetzij met een ander deel van de keu dan de keuspits, hetzij met een lichaamsdeel of kledingstuk, dan worden alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
TIJDENS HET KADERSPEL IS ECHTER HET VOLGENDE VAN TOEPASSING.
B. Bij een touché op een eigen bal worden alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd, met het gevolg dat men niet van kader is veranderd. De scheidsrechter legt de (eerst) getoucheerde bal op het strafpunt, waarna de tegenstander mag vervolgen.
Bovenstaande is ook van toepassing op een bal die in de aanvalsdriehoek ligt.
C. Bij een touché op een bal van de tegenstander worden alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd, de tegenstander wijst een bal aan die door de scheidsrechter op het strafpunt wordt gelegd en vervolgt.
|
|
|
|
Art. 21 Doorstoot.
A. Indien de keuspits nog in aanraking is met de speelbal op het moment dat deze een andere bal, stop of band raakt, noemt men dit een doorstoot. Een doorstoot wordt als volgt bestraft:
1. Men verliest de beurt, de tegenstander vervolgt.
2. Wordt de speelbal op het strafpunt gelegd.
3. Worden alle verplaatste ballen teruggelegd.
B. De scheidsrechter deelt de speler mee of de bal(len) de band, stop of elkaar raken.
In dat geval mag de ene bal niet van de speelbal af bewegen anders is het een doorstoot.
|
|
|
|
Art. 22 Definitie van een beurt c.q. stoot.
A. Een beurt begint als alle door de tegenstander verplaatste ballen stilliggen en deze niet heeft gescoord of zoals voorzien in dit reglement.
B. Een stoot begint op het moment dat de keuspits de bal raakt en eindigt als alle door deze stoot verplaatste ballen stilliggen en men zich correct van het biljart verwijderd heeft.
|
|
|
|
Art. 23 Bal(len) in de verdedigingsdriehoek.
A. Komt er tijdens de partij een bal in de eigen verdedigingsdriehoek terecht, dan zal deze er in de eerst volgende beurt van de speler rechtstreeks of onrechtstreeks uitgespeeld moeten worden. De bal mag wel via de band, stop of bal in de verdedigingsdriehoek terugkomen. Indien in deze beurt de bal de verdedigingsdriehoek niet heeft verlaten, zal de scheidsrechter deze op het strafpunt te leggen, waarna de tegenstander mag vervolgen.
B. Het staat de speler vrij de bal in de verdedigingsdriehoek te laten liggen en een andere bal te spelen. Hij kan deze ook gebruiken om een of meerdere ballen te doelen. Wanneer echter de beurt voorbij is en een bal die in de verdedigingsdriehoek lag er niet uitgespeeld is, als onder Art. 23 sub A, zal de scheidsrechter deze bal op het strafpunt leggen.
Alle andere ballen blijven liggen en de tegenstander mag vervolgen.
C. Liggen twee of meerdere ballen in de eigen verdedigingsdriehoek, dan moet de speler in de eerst volgende beurt minstens 1 bal eruit spelen en bij de volgende beurt de volgende enz.
Verkiest de speler de ballen te laten liggen, dan worden ze allen door de scheidsrechter op de strafpunten gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
D. De bal(len) van een speler die in de verdedigingsdriehoek van de tegenstander terechtkomen, mogen erin blijven liggen, ook indien er mee gespeeld wordt en dit zowel voor als tijdens het kaderspel.
E. Een bal op de lijn van de verdedigingsdriehoek ligt in deze driehoek en wordt behandeld als onder Art. 23 sub A.
|
|
|
|
Art. 24 Kaderspel.
A. Voor de toepassing van het kaderspel is het biljart verdeeld in 14 kaders, met inbegrip van de verdedigingsdriehoek. (Zie fig. 1)
B. Het kaderspel begint wanneer een van de spelers nog maar één bal heeft.
De aanvang van het kaderspel mag niet worden aangekondigd door de scheidsrechter.
C. Artikel 23 heeft voorrang op artikel 24 en dit zowel voor de verdediger die in de eigen verdedigingsdriehoek ligt, alsook voor de aanvaller. (Art.23 sub D).
D. Bij iedere stoot tijdens het kaderspel moet minstens 1 bal het kader verlaten hebben, dit kan ook een bal van de tegenstander zijn. Gebeurt dit niet, dan zal de speelbal van de overtreder op het strafpunt worden gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen.
De verdedigingsdriehoek telt tijdens het kaderspel voor de verdediger niet meer als kader. Het terug verdedigen van het grote kader naar de verdedigingsdriehoek is dus een kaderfout.
E. Indien twee ballen (aanvaller en verdediger) in de driehoek liggen volstaat het dat beide ballen de driehoek verlaten, of de speelbal dient het grote kader te verlaten (gezien vanuit de verdedigende bal).
F. Wanneer een bal zich op de scheidingslijn van een kader bevindt, volstaat het deze rechtstreeks of onrechtstreeks te verlaten. Bij overtreding wordt de speelbal op het strafpunt gelegd, waarna de tegenstander mag vervolgen. Wanneer een bal op de lijn van de verdedigingsdriehoek van de tegenstander blijft liggen, ook als er mee gespeeld werd, wordt niet bestraft.
In geval van twijfel (bal dicht bij de lijn) is de speler verplicht aan de scheidsrechter te vragen in welk kader de bal zich bevindt. Bij overtreding worden alle verplaatste ballen op hun plaats teruggelegd en vervolgd de tegenstander.
|
|
|
|
Art. 25 Fouten door derden.
Een fout door derden veroorzaakt, mag de speler niet worden aangerekend. Ballen die door bovenstaande fout(en) worden verplaatst, worden door de scheidsrechter teruggelegd en de speler blijft aan de beurt.
|
|
|
|
Art. 26 Vliegeren.
Vliegeren met een bal die ligt tussen de lange band en de op 9,2 cm parallel getrokken lijn, is niet toegestaan. Bij overtreding:
1. Verliest men de beurt.
2. Alle ballen worden op hun plaats teruggelegd.
|
|
|
|
Art. 27 Koppelwedstrijden.
Bij de eerste partij bepaalt het koppel zelf wie er opstoot. De tweede partij stoot de andere speler op. Bij een eventuele derde partij bepaalt het koppel zelf wie er opstoot.
Het koppel wiens bal het dichtst bij het doel komt blijft aan de beurt. De tweede speler vervolgt de partij.
Doelt een speler bij de opstoot, dan vervolgt dezelfde speler. De spelers spelen om de beurt, scheidsrechter en spelers zijn verantwoordelijk voor de juiste volgorde.
Er mag onderling overlegd worden, mits:
1. Er niet op het biljart gewezen of aangeduid wordt.
2. Er niet langer dan 30 seconden gewacht wordt alvorens te spelen.
3. De speler die niet aan de beurt is, mag niet mikken op de bal (onder mikken wordt verstaan: zich achter de bal opstellen met de keu in een stand om te spelen).
De scheidsrechter dient, indien mogelijk, het spelen met deze bal te beletten. Bij overtreding van bovenstaande:
1. Verliest het koppel de beurt.
2. Worden alle verplaatste ballen teruggelegd.
3. Gebeurt dit tijdens het kaderspel dan wijst de tegenstander een bal aan die door de scheidsrechter op het strafpunt wordt gelegd. De tegenstander vervolgt de partij.
|
|
|
|
Art. 28 Meten.
Meten van ballen dient te geschieden met de daarvoor bestemde meetapparatuur. Om te bepalen aan welke zijde van de lijn een bal zich bevindt gebruikt men bijvoorbeeld de spiegel.
Om de afstand tot het doel te bepalen gebruikt men de afstandmeter. (In de (beker) competitie meet een teamgenoot van de aanvrager, tijdens toernooien mag de speler zelf meten onder toezicht van de scheidsrechter).
|
|
|
|
Art. 29 Strafpunten.
A. Een bal die op het strafpunt dient te worden gelegd plaats men in de hoek gevormd door de doelstop en de korte band, zodanig dat hij de korte band raakt en +/- drie millimeter van de doelstop ligt. De bal dient bij het doel van de overtreder te worden gelegd. Men dient rekening te houden met het feit of de bal vertrokken is op de linker of rechterhelft van het biljart. Een te bestraffen bal die op de aslijn vertrokken is wordt links bestraft.
B. Indien het niet mogelijk is een bal op het aangewezen strafpunt te plaatsen, neemt men de strafpunten in de volgende volgorde:
1. Hoek gevormd door korte band en doelstop, maar aan de andere zijde van het doel.
2. In het middenkader en rakend aan de tweede stop vertrokken op de aslijn van het doel van de overtreder.
3. Achter en rakend aan de twee stoppen van een van de twee vleugels op de breedte-as vertrokken van het doel van de overtreder. Hierbij dient men rekening te houden met het feit of de te bestraffen bal vertrokken is van de linker of rechterhelft van het biljart.
|
Figuren:
Fig. 1 Schema voor het aanbrengen van de kaderlijnen
De pijltjes geven de richting aan naar welk punt men
dient te richten voor het vormen van de driehoeken.
Fig. 2 Kaders en driehoeken
1/6
Afstand doeldoppen 78 mm.
Fig. 3 Middelste opstootstip is top grote driehoek
De stippellijn voor hard/zacht telt alleen in het grote (midden)kader.
Fig. 4 Strafpunten

Eigen doel
|